Ik heb besloten met pensioen te gaan en van mijn spaargeld te gaan leven. Wat ik de dag erna ga doen, echt geen idee!
Op allerlei manieren wordt er met scherp op het Nederlandse pensioensysteem geschoten. De eens zo geprezen Nederlandse pensioenvoorziening moet na 15 jaar erover discussiëren op stel en sprong geheel worden gewijzigd.
Wat goed is, moet goed blijven, hebben politici op alle fronten losgelaten, ook uw pensioen moet het ontgelden.
Ondanks een gedegen betoog van Pieter Omtzigt van 1 ½ uur is goede raad overboord gegooid. “ De toeslagenaffaire verbleekt bij wat er met de pensioenmaterie gaat gebeuren. “ Een pensioenwet van 160 bladzijden wordt zonder dat boekwerk te openen door de Kamer gejast en wanneer je het meeste doet bij AMVB ’s kun je ongestraft de Kamer buitensluiten. Pieter Omtzigt schreeuwt in de woestijn om deze wet per artikel door te nemen. Waarom die haast bij zo’n bijzonder ingrijpende wet?
Mevrouw Agnes Joseph met haar indrukwekkende staat van dienst als o.a. actuaris (2x de prijs gewonnen als beste actuaris van het jaar) voordat ze politica werd, wordt op een zijspoor gezet door haar partijgenoot. Als er naar iemand zou moeten worden geluisterd is het Agnes Joseph wanneer het over pensioenen gaat. Agnes ging de politiek in om samen met Pieter Omtzigt de schade die door de wet toekomst pensioenen gaat ontstaan zoveel mogelijk zien te beperken.
De mensen worden pas echt wakker als hun pensioenuitkering als gevolg van de beurskoers zomaar eens 30% lager uit kan vallen.
Is jouw pensioen inflatie bestendig? Als de maatschappij financieel is zoals die is, kun je de toekomstige pensioengerechtigden niet beloven erop vooruit te gaan met het nieuwe pensioenstelsel en dat doe je dus wel.
Jonge mensen moeten zich realiseren dat je één dag per week in jouw pensioen steekt en als de uitkomst de natte vinger omhoog is, hou je de toekomstige pensioengerechtigde compleet voor de gek.
De waarschuwing van Pieter Omtzigt, ook pensioendeskundige: “Je komt straks heel veel rechters tekort, omdat met zo’n gedrocht van een pensioenwet je massale claims op je hals haalt."
Eens was ik werknemer bij een van de oudste levensverzekeraars van Nederland. Deze maatschappij begon als risicoverzekeraar voor Spoor- en trampersoneel. De werkgever voelde de behoefte bij het overlijden van de werknemer de weduwe niet berooid achter te laten. Het verantwoordelijkheidsgevoel en solidariteit had destijds een andere betekenis dan nu. Bij de Onderlinge ’s-Gravenhage kon ik roepen: “Wij zijn zowat de enige maatschappij die geen woekerpolis op de markt heeft gebracht en we zijn ons bewust van onze taak: “Verzekeren.” Dus al helemaal niet met de natte vinger omhoog van dat komt er straks uit. Je deelt in de winst en je bent uitgesloten van aansprakelijkheid. Het kan dus niet minder worden dan wat op de polis staat. Deze vorm van solidariteit is ook geheel losgelaten in de nieuwe pensioenwet.
Nu wordt de pensioenpot, opgebouwd uit risicovolle beleggingen en beleggen met geleend geld. Het overlijdensrisico van jouw collega’s wordt ook aan de resultaten van jouw beleggingspot toegevoegd. Dus hoe meer er vroegtijdig overlijden, des te hoger de uitkomst van jouw pensioen wordt. Voor mij is dit een onacceptabele interpretatie van solidariteit.
Ben je aan het begin van de opbouw van jouw pensioen, is het risico van het tegenvallend beleggingsresultaat enorm als na 10 jaar inleg jouw pot leeg blijkt te zijn door tegenvallende resultaten, temeer omdat met geleend geld is belegd. Waar haal je als overheid de stupiditeit vandaan?
Het eindresultaat is de beleggingswaarde van het moment van met pensioen gaan. Dat kan hoog zijn, maar eveneens bijzonder tegenvallen.
Omdat het actuariële principe dat vrouwtjes nu eenmaal gemiddeld 5 jaar langer leven en dat mannetjes ook nog eens de neiging hebben vroegtijdig te overlijden, hebben de vrouwtjes dikke vette pech als hun mannetje doodgaat.
Het kan zomaar zijn dat 2 collega’s, even oud en 1 jaar na elkaar in dienst getreden met een pensioenverschil van honderden euro’s per maand het moeten doen bij een door Jetten uitgeklede AOW.
De beheerskosten zullen drastisch stijgen en die kosten moeten worden opgebracht uit de 20 tot 25 % van het inkomen. De netto-inleg zal derhalve beduidend lager zijn en dat komt omdat één grote pot wordt verdeeld in 10.000.000 kleine individuele potjes.
De politieke signatuur en de invloed van de EU zullen bepalen hoe beleggingsfondsen met de inleg om zullen gaan. Je hebt heel veel pech als jouw beleggingsfonds een klimaatdrammer of oorlogszuchtig is.
Transparant zijn nadat het besluit is genomen, heeft niets, maar dan ook niets met inspraak te maken. Denk je nu echt invloed te kunnen uitoefenen op het eindresultaat?
De transitie naar 10.000.000 individuele potjes is praktisch niet uitvoerbaar en een hele kostbare operatie die € 160.000.000.000 gaat kosten. De transitie gaat heel veel fouten opleveren. De aansprakelijkheid wordt afgewenteld op de deelnemers.
En waar hebben we het over?
€ 34.000.000.000 premie komt er binnen en € 32.000.000.000 gaat eruit aan gepensioneerden. Rendement op € 1500.000.000.000 á 10% is € 15.000.000.000. Er is dus een behoorlijk overschot. Hoezo dekkingsgraad onder druk? In wezen betalen werkgever en werknemer veel teveel.
Het inkomen na pensioengerechtigde leeftijd is opgebouwd uit 2 delen:
- De AOW. Toen politici nog betrokken waren en verstand hadden van zaken, introduceerde Ko Suurhoff in 1956 de Algemene ouderdomswet.
- Het aanvullend pensioen.
De Wet toekomst pensioenen grijpt in in de wijze waarop de beschikbare pot op pensioengerechtigde leeftijd is opgebouwd en onder welke voorwaarden uit de opgebouwde pot in het aanvullend pensioen wordt voorzien.
Hoe je een pensioenvoorziening opbouwt, even los van hoe de inleg te laten renderen:
De pensioenpot vullen doe je door een maandelijkse betaling aan een pensioenfonds of verzekeraar en dat heet de pensioenbijdrage. Deze betaling komt meestal van zowel de werkgever als de werknemer. Samen vormen ze de totale pensioenpremie.
In veel gevallen betaalt de werkgever het grootste deel, maar de precieze verdeling hangt af van de afspraken in de cao of pensioenregeling.
Gemiddelde pensioenbijdrage werkgever: De werkgever: betaalt ongeveer 2/3 van de pensioenpremie. Werknemer: betaalt ongeveer 1/3 van de pensioenpremie. Let op: dit is een richtlijn. De exacte verdeling hangt af van de pensioenregeling en gemaakte afspraken. Verder heeft leeftijd, Cao-afspraken en de pensioenregeling zelf invloed.
Hetgeen de werkgever bijdraagt aan de opbouw van jouw pensioen behoort voor de werkgever tot de loonkosten. Zou de werkgever geen pensioenpremie hoeven te betalen bij gelijke loonkosten, zou jouw loon gewoon beduidend hoger geweest kunnen zijn.
Meestal betalen zowel jij als jouw werkgever de premie voor de opbouw van jouw pensioen. De werkgever betaalt meestal het grootste deel. De rest betaalt de werknemer via inhouding op het brutoloon. Soms kiest een werkgever ervoor om meer te betalen dan afgesproken. Bijvoorbeeld om extra aantrekkelijk te zijn voor nieuwe medewerkers.
De berekening van de bijdrage:
De bijdrage wordt niet berekend over het hele salaris. Eerst wordt de AOW-franchise eraf gehaald. Dat is het deel van het loon waarover geen pensioen wordt opgebouwd, omdat iemand later AOW krijgt. Wat overblijft noemen we de pensioengrondslag.
Rekenvoorbeeld
Stel, iemand verdient 40.000 euro per jaar. De AOW-franchise is 16.000 euro. Dan blijft er 24.000 euro over als pensioengrondslag. Bij een premie van 25 procent komt dat neer op 6.000 euro per jaar. Als de werkgever twee derde betaalt, dan is jouw bijdrage 2.000 euro per jaar.
Moet je als werkgever een pensioen regelen?
Dat hangt ervan af. In sommige sectoren ben je verplicht om pensioen te regelen. Bijvoorbeeld in de bouw, zorg of het onderwijs. Het bedrijf moet zich dan verplicht aansluiten bij een pensioenfonds in die sector. Doet een bedrijf dat niet, dan is het bedrijf in overtreding. De bestuurder kan dan zelfs aansprakelijk worden gesteld voor de niet betaalde premies.
Ben je aangesloten bij een pensioenfonds, dan bepaalt het fonds hoe hoog de premie is.
Werk je in een sector zonder verplicht pensioen?
Dan mag je een bedrijf zelf kiezen of het een pensioenregeling aanbiedt. Veel werkgevers doen dit toch. Het helpt om personeel aan te trekken en vast te houden. Als dit niet het geval is kun je het zelf pensioen opbouwen.
Waarom is het belangrijk?
Voor een werkgever is het een manier om aantrekkelijk te zijn. Voor werknemers is het belangrijk omdat ze pensioen opbouwen zonder dat ze alles zelf hoeven te betalen. Zo sparen ze ongemerkt voor later.
De pensioenpot:
Het pensioenvermogen in Nederland is € 1.583 miljard. Jouw pensioenaanspraken worden uit deze pot betaald. Enerzijds wordt de pot gevuld door alle binnenkomende pensioenpremies en anderzijds is het saldo van de pot de resultante van de beleggingsresultaten.
De uitkering had een relatie met het aantal dienstjaren en het op te bouwen percentage per dienstjaar. Door de aanhoudend lage rente zou aanpassing van de rekenrente de simpelste en kortste klap geweest zijn zonder onverantwoord bezig te zijn met de verplichtingen naar de huidige en toekomstige pensioengerechtigden.
De officiële versie waarom toch een nieuw pensioenstelsel:
Een nieuw pensioenstelsel is ingevoerd om in te spelen op de veranderingen in de levensverwachting, de arbeidsmarkt en de financiële druk op pensioenfondsen.
Belangrijkste redenen voor het nieuwe pensioenstelsel
- Hogere levensverwachting: Mensen leven langer, wat betekent dat pensioen langer moet worden uitgekeerd. Dit vereist een groter kapitaal om aan de verplichtingen te voldoen.
De pot van € 1.583 miljard is ten opzichte van de verplichtingen die eruit moeten worden gedaan zo groot, dat het beleggingsresultaat hoger is dan de verplichtingen die uit deze pot worden voldaan.
- Flexibilisering van de arbeidsmarkt: Werknemers wisselen vaker van werkgever en blijven niet langer hun hele carrière bij één bedrijf. Het oude systeem was te veel gericht op langdurige dienstverbanden, wat niet meer aansluit bij de huidige arbeidsmarkt. Maar wat verandert in de nieuwe wet ter verbetering van het pensioen? Kan ik opgebouwde pensioenrechten indien van toepassing wel overdragen, moet ik ze overdragen ook al wil ik dat misschien juist niet?
- Financiële druk door lage rente: Door de aanhoudend lage rente hebben pensioenfondsen moeite om hun verplichtingen te dekken. Dit heeft geleid tot een situatie waarin indexatie van pensioenen vaak niet mogelijk was en kortingen dreigden. Sinds jaar en dag wordt niet slechts alleen in staatsobligaties meer belegd. Langlopende gespreide beleggingsstrategie heeft over een eeuw een gemiddeld rendement van > 6% laten zien. In aanvulling durf ik te melden dat regels waaruit “korten” volgt onnodig nadelig heeft uitgepakt voor de pensioengerechtigden. Als ik een politicus of een hooggeplaatste ambtenaar een hand geef, tel ik altijd of ik nog over het juiste aantal vingers beschik.
- Toegenomen behoefte aan keuzevrijheid: Werknemers willen meer controle over hun pensioenopbouw en de mogelijkheid om keuzes te maken die passen bij hun persoonlijke situatie. Het nieuwe stelsel biedt meer transparantie over de opbouw van pensioen en de groei ervan. Tot op de dag en erna ben je jouw pensioentoezegging geenszins zeker. In het nieuwe systeem nog veel minder dan in het oude.
- Verandering in de economie: Het oude pensioenstelsel was niet meer houdbaar door de veranderingen in de economie en de arbeidsmarkt. Het nieuwe stelsel sluit beter aan bij de huidige realiteit, waarbij mensen vaker van baan wisselen en zelfstandigen een grotere rol spelen. Het oude systeem: Uitgaan van 3% rekenrente en de verwachte extra 3% aanwenden ter indexering van de pensioenrechten, biedt meer zekerheid dan hetgeen in de tekst onder punt 5 wordt gemeld. In teksten van de overheid zie ik steeds dat men spreekt over DAT, maar niet over WAT en HOE.
Conclusie
Het nieuwe pensioenstelsel is ontworpen om de pensioenen toekomstbestendig te maken en beter aan te laten sluiten bij de veranderende omstandigheden in de samenleving. Het biedt meer flexibiliteit, transparantie ende mogelijkheid om in te spelen op economische veranderingen, wat essentieel is voor zowel werkenden als gepensioneerden. Ook deze conclusie van een woordvoerder van de overheid komt niet verder dan het spuien van holle frasen zonder concreet te worden. Het is een conclusie die geen conclusie is.
Het klinkt logisch, maar is dat ook zo?
Aanvullend pensioen
1e wet 1954 pensioen en spaarfondsenwet. Mensen zetten niet uit zichzelf geld opzij. Degene(n) die met de PSW kwam(en) hebben daadwerkelijk bijgedragen aan een onbezorgde oude dag.
Het idee: De werkgever en werknemer leggen premie in een fonds die dat belegt.
Uit de collectieve beleggingen volgden de uitkeringen.
Jouw aanspraken waren gebaseerd op dienstjaren x percentage per jaar van het laatst genoten inkomen. (Eindloonregeling) Zo bestond er ook de middelloonregeling waarbij het op te bouwen pensioen gerelateerd is aan het gemiddelde inkomen wat men in de diensttijd heeft gehad.
In de jaren 50 en 60 werd weinig aanspraak gemaakt bij veel inleggers. In de jaren 60 en 70 groeide de pot heel snel door hoge rentes.
Rendementen bestonden voornamelijk uit rente op uitstaand kapitaal.
De ene hand de andere laten wassen: ABP kocht staatsleningen.
Ook bij de renteontwikkeling was een golvende trend waarneembaar en ontstond de behoefte jezelf vooral niet rijk te rekenen hetgeen resulteerde in restrictie rekenrente niet meer dan 4%, ongeacht beleggingsresultaten.
Op de balans werden de verplichtingen contant gemaakt en dat tegen een rekenrente van 4%. Je rekent jezelf nog steeds rijk als het rendement over langere tijd lager is dan 4%.
In de Jaren 90: Is er een betere methode dan uit te gaan van die 4% rekenrente? De Verzekeringskamer wordt onderdeel van de DNB en de DNB krijgt mede door de invoering van de Euro de taak toezichthouder te zijn. Het tijdperk van de rekenmodellen doet zijn intrede, waarbij de uitkomsten van de modellen heilig verklaard zijn, maar achteraf nog niet eens bij benadering klopten.
In 2007 deed de pensioenwet zijn intrede waarbij een rente van staatsobligaties vastgesteld op 4,8% de rekenrente werd. Hoi, hiep, hoi.
Feestvreugde was van korte duur. In 2008 hadden we de financiële Crisis. De marktrente keldert om economie te stimuleren. En de aandelenmarkt van de fondsen stort in. Sparen gaat geld kosten.
In 2010 worden commissies in het leven geroepen om in 2014 met het 1e pensioenakkoord te komen: Niet komen met rekenrente, maar met verwacht rendement. FNV heeft dit om zeep geholpen. “Het casinopensioen noemde de bonden het.” Dit akkoord klapt en de FNV verandert van inhoud en samenstelling door interne verdeeldheid.
Pensioenen werden niet geïndexeerd of soms zelfs verlaagd.
Het pensioenakkoord: Zekerheid opgeven in ruil voor hogere rekenrente.
Klaas Knot: DNB. Hee Koolmees, Wat jullie willen, gaat niet!! Je moet de balans anders redigeren en rekenrente buiten de balans houden. Dus vanaf nu het premiestelsel. Uitgaande van de premie een te verwachten pot opbouwen waaruit De wet toekomst pensioenen (Ongelukkige benaming) is ontstaan: Een heel ingewikkelde wet die het bestaande probleem niet oplost en een niet bestaand probleem introduceert.
Simpel zou zijn geweest: Ga nou uit van 3% rekenrente voor wat betreft je premieberekening. De werkelijkheid komt altijd hoger uit en daar kun je dan de toekomstige aanspraken ook nog eens op indexeren.
NU
Iedereen over naar het nieuwe stelsel, ook de 95 jarige.
Het invaren is een eenzijdige contractwijziging.
Lifecycle beleggen. Jongeren kunnen meer risico zich permitteren. Dat is voor de laatste jaren inleg nadelig.
Wat de pot op moment van aanspraak maken waard is, is waarmee je het moet doen.
Het feit dat de “Verplichtingen” niet meer rechts op de balans voorkomt, baart mij zorgen.